Het Baljuwschap
Over het baljuwschap van Beverwijk is een ruwe schets gepubliceerd
. Het goederencompex staat ook bekend onder de naam het Baljuwschap van Blois, dat deel uitmaakte van de veel omvangrijker Blooise goederen in de Noordelijke Nederlanden.
In 1313 omvatte het baljuwschap van Beverwijk en Noordwijk de volgende goederen en rechten:
- de stad Beverwijk, de molen, het wanthuis of lakenhal, de waag, de markttol, de scheepstol, de tiende en smaltiende;
- het ambacht Wijk aan Zee;
- het ambacht Noordwijk, het schot (bede), de molen, het duingebied met aan het hoofd een duinwaarder;
- in Bergen de biertol;
- ambacht Westzaan, het schot (bede) en de tiende;
- in Oostzaan de tiende en smaltiende;
- in Wormer de tiende en smaltiende;
- in Hadel de tiende en smaltiende;
- het ambacht Krommenie;
- het ambacht Schotenredamme;
- het ambacht Zaanderhorn;
- het ambacht Spaarnwoude, de korentiende, het veer en de tol;
- het ambacht Katwoude;
- in Nieuwland de tiende;
- in Eenigenburg de tiende;
- in Valkkoog de tiende;
- in Haarlem de markttol met aan het hoofd een tolgaarder.
Het rentmeesterschap van Beverwijk en Noordwijk is waarschijnlijk ont- staan vanaf het moment dat Wolfert van Borselen, heer van Zandenburg te Veere (Zeeland), werd beleend met de verspreid liggende goederen van Gerard van Velsen, Willem van Saen- den en Gerard van Crayenhorst (ca. 1297, uiterlijk op 11 november 1298). Laatstgenoemden waren hun goede- ren kwijtgeraakt, vanwege hun be- trokkenheid bij de moord op graaf Floris de Vijfde op 27 juni 1296.
Lang heeft Wolfert niet van zijn leen- goederen genoten, want op 1 augus- tus 1299 werd hij in Delft vermoord, waarna graaf Jan I van Holland het rentmeesterschap weer op zich heeft genomen. De goederen vielen terug in 's-graven boezem. In deze rol wordt graaf Jan I van Holland opge- volgd door graaf Jan II van Avesnes, die op zijn beurt wordt opgevolgd door graaf Willem III, de Goede.
Op 21 juni 1308 werd Jan van Hene- gouwen, heer van Beaumont, de jongere broer van graaf Willem III van Holland, met het goederencomplex beleend.
In 1313 werd het leen verrijkt met de zogenaamde hoge jurisdictie en werd het een baljuwschap. Voor het be- heer van zijn goederencomplex stelde Jan van Beaumont, evenals zijn opvol- gers, mannen aan in functie van bal- juw en rentmeester. Beide functies zijn in Beverwijk door de eeuwen heen steeds door één persoon vervuld, die in Beverwijk zetelde.
Jan van Beaumont en zijn rechtsop- volgers kwamen zelden naar Bever- wijk. Als zij al in Beverwijk waren, dan logeerden zij op de eerste verdieping van de Lakenhal aan de Breestraat (hoek Raadhuisstraat).